Nergens welkom

N E R G E N S W E L K O M RIJK ARENDS DEN HERTOG - HOUTEN

AVI E5 © 2024 Den Hertog B.V. Houten ISBN 978 90 331 3268 1 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij digitaal, elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

5 Hoofdstuk 1 7 NOVEMBER 1938 Het is koud op het sportveld achter het station. Een gure wind blaast in zijn gezicht. Hans moet eigenlijk naar huis, maar hij wil het touwtrekken niet missen. Dat is het hoogtepunt van de middag. ‘Ik ben benieuwd wie er gaat winnen,’ zegt de jongen die naast hem is komen staan. ‘Jongens, een paar stappen achteruit.’ De man die de leiding heeft, gebaart naar hen. De leden van Hitlers jeugdbeweging zetten hun hakken in het zand en halen een paar keer diep adem. ‘Ik denk dat de groep van mijn broer de meeste kans maakt,’ zegt de jongen terwijl hij naar de achterste in het rijtje van rechts wijst. ‘Moet je zijn spierballen zien!’ De leider gaat in het midden tussen de twee partijen staan en pakt met één hand het touw vast. Zijn andere hand houdt hij omhoog. ‘Klaar, af!’ De jongens hangen aan allebei de kanten achterover en met verbeten gezichten, die langzaam steeds roder worden, proberen ze de tegenpartij naar zich toe te trekken. Het touw beweegt eerst iets naar rechts en daarna weer een klein stukje naar links.

6 ‘Hup Wolfgang!’ roept de jongen naar zijn oudere broer. De groep van Wolfgang doet een stap achteruit. Het zweet gutst bij sommigen over het gezicht. Nu doen ze twee stappen achteruit. Het rode lint in het midden van het touw is bijna over de streep. Dan geeft de overkant het op. Een paar jongens moeten loslaten en de laatste drie worden door de winnende partij met touw en al over de streep getrokken. Er wordt gejuicht. De drie jongens die het touw loslieten, worden door de leider uitgekafferd. ‘Wolfgang is de sterkste!’ zegt de jongen trots. ‘Heb je zijn oog gezien? Hij heeft gisteren gevochten met een stel Joden.’ Hans kijkt naar de opgezwollen oogkas van Wolfgang en doet zijn best om te grijnzen. ‘Willen jullie ook een keer meedoen, jongens?’ vraagt de man. ‘Graag!’ roept de jongen. Hans schrikt even. Dit had hij niet verwacht. Hij mag meedoen met de Hitlerjugend! Dit zullen de jongens op school nooit geloven. Zijn ouders al helemaal niet, maar aan hen kan hij het beter maar niet vertellen. ‘Jullie krijgen versterking van deze twee jongens,’ zegt de man tegen de tegenstanders van Wolfgang. ‘Degene die loslaat, mag daarna tien kilometer hardlopen.’ Hans loopt naar het touw en gaat ergens in het midden van de groep staan. ‘Af!’ roept de man. Heel even gaat er een schok door het touw. Maar ze geven geen centimeter prijs. Hans probeert zijn hakken zoveel mogelijk in het zand te planten. Zijn

7 handen doen gemeen zeer. De man met de hese stem schreeuwt hen toe. Er komen kloddertjes spuug uit zijn mond. Hans hoort niets meer. Hij sluit zijn ogen en concentreert zich alleen nog op het touw. Zijn armen lijken wel in brand te staan en hij voelt hoe het touw het vel van zijn handen stuktrekt, maar opgeven zal hij zeker niet. Hij voelt een beetje beweging in het touw komen en kan een stapje achteruit doen. Hij doet zijn ogen open en ziet de jongens aan de overkant met van pijn vertrokken gezichten vertwijfeld naar elkaar roepen. Weer kan de groep van Hans een stapje achteruit zetten. ‘Nu doorzetten!’ roept de man. Met een allerlaatste krachtinspanning trekt Hans aan het touw. Dan voelt hij de weerstand wegvloeien en trekken ze het lintje over de streep. Ze juichen. De andere jongen die mee mocht doen, is op de grond gaan zitten en heft zijn gebalde vuist triomfantelijk richting Hans. ‘Goed gedaan, jongens!’ zegt de man tegen hen. ‘Zijn jullie nog niet oud genoeg voor de Hitlerjugend?’ ‘Binnenkort word ik veertien,’ zegt de jongen. ‘Dan meld ik me zeker aan.’ ‘Al bij het Jungvolk, zeker?’ vraagt de man. ‘Zeker!’ zegt de jongen. ‘Ik ook,’ zegt Hans. Gelukkig is zijn hoofd nog rood van de inspanning, zodat het niet opvalt dat hij liegt. ‘Zulke jongens als jullie kan de Führer wel gebruiken,’ zegt de man. De jongens moeten in de houding gaan staan. Dan strekt de man zijn arm. ‘Heil Hitler!’ roept hij.

8 Hans steekt zijn arm schuin omhoog. Op school moet hij dit ook doen. Maar nu is het toch anders. Net of hij een grens is overgegaan. Uit zijn ooghoeken ziet hij een paar jongens uit zijn klas aankomen. Hij kan dan wel blond zijn, maar de meeste jongens uit zijn klas weten meer over hem en anders herinneren sommige leerkrachten hen er wel aan. Omdat hij sterk is voor zijn leeftijd, heeft hij niet zoveel last van de meeste jongens, maar hij ziet dat Peter er ook bij is. Een paar jaar geleden waren ze nog vrienden. Sinds Peters vader bij de SA zit, is dat veranderd. Vanaf dat moment is Peter met de week vervelender gaan doen. Pasgeleden heeft Hans met hem gevochten op het plein, omdat Peter hem voor vuile Jood had uitgescholden. Peter heeft daarna drie weken met een gekleurd oog rondgelopen. Na dat gevecht heeft Hans geen last meer van hem gehad, maar hij weet dat Peter op wraak loert. Hans loopt in tegenovergestelde richting als waar zijn klasgenoten vandaan komen. Als hij bij het hek achteromkijkt, ziet hij Peter praten met het broertje van Wolfgang. Hij moet zo snel mogelijk weg hier. Anders heeft hij een probleem. Zelfs als je blond haar en blauwe ogen hebt en gewoon Hans Schmidt heet.

9 Hoofdstuk 2 ‘Waar kom jij zo laat vandaan?’ vraagt zijn moeder. Hans mompelt iets onverstaanbaars. Gelukkig eist zijn zusje Romy alle aandacht alweer op, zodat hij niet hoeft te antwoorden. Zijn vader zit in de stoel en staart uit het raam. Sinds papa in de groentewinkel van een Joodse groenteboer werkt, is hij ’s avonds zo moe dat hij nauwelijks in staat is om de krant te lezen. ‘Aan tafel!’ zegt mama, terwijl ze de gebakken aardappelen en sla op tafel zet. Vroeger maakte Maria, hun dienstmeisje, het eten voor hen klaar en had papa een goede baan ergens op kantoor, maar die tijden lijken voorgoed voorbij. Papa vouwt zijn handen. Onder zijn nagels zitten zwarte randjes en zijn handen zijn kapot van het werk in de winkel. Zoals altijd bidt hij hardop: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt...’ Na het amen deelt mama de sla uit. Nu papa bij de groenteboer werkt, kan hij elke dag groente meenemen. Dat is een groot voordeel, want van het loon dat hij daar verdient, kunnen ze niet rondkomen. Laatst hadden een paar SA-mannen, die als bijnaam bruinhemden hebben, zijn vader opgewacht toen hij uit de winkel kwam. Ze hadden een zak aardappels op de grond

10 gegooid en hem gedwongen alles weer op te rapen. Daarna hadden ze de aardappels alsnog afgepakt en meegenomen. Dat hoorde Hans papa zachtjes aan mama vertellen. Zelf krijgt hij liever een pak slaag dan dat hij zich laat kleineren. Vanmiddag op het sportveld heeft hij laten zien wat hij waard is. Hij voelt zich geen Jood en hij is geen Jood. Zijn opa misschien, maar hij niet. ‘Wat is er met je handen gebeurd?’ vraagt Lotte, die naar de blaren op de binnenkant van zijn hand wijst. Op sommige plaatsen is het vel helemaal verdwenen. Hij draait zijn hand snel weer om, maar hij ziet dat zijn vader en moeder het ook gezien hebben. ‘Meegedaan met touwtrekken,’ zegt hij. ‘Op school?’ vraagt zijn vader. Even wil hij gewoon ja zeggen, maar dan loopt hij kans dat zijn zusje hem verraadt. Die weet natuurlijk dat hij vandaag geen gymnastiek heeft gehad. ‘Ben je op het sportveld achter het station geweest?’ vraagt zijn vader, terwijl hij een wenkbrauw optrekt. ‘Alleen even bij het touwtrekken gekeken,’ zegt Hans. ‘Van kijken krijg je niet zulke handen,’ zegt zijn moeder, terwijl ze de gebakken aardappels over de borden verdeelt. ‘Ze vroegen of ik meedeed.’ ‘Wie vroeg dat?’ ‘Iemand van de leiding.’ ‘Mijn zoon doet met de Hitlerjugend mee,’ zegt ze, waarna ze een diepe zucht slaakt. ‘Weet je wel wat die allemaal uitspoken?’ Hans kijkt naar zijn bord en neemt snel een grote hap van de aardappels.

11 Even is het stil aan tafel. Uit zijn ooghoeken ziet Hans dat papa naar mama gebaart dat ze rustig moet blijven. Ze blaast een piek haar uit haar gezicht en begint te eten, maar Hans ziet dat ze boos is. Daarna gaat alle aandacht naar Heinrich, die zijn bord niet leeg wil eten. Als papa zijn bord leeg heeft, schraapt hij zijn keel. Hans weet dat zijn vader nu wat gaat zeggen. Dat is het verschil tussen papa en mama. Mama reageert gelijk fel en papa denkt eerst na, maar meestal doen papa’s woorden meer pijn dan die van mama. ‘De Hitlerjugend is geen sportvereniging, Hans. Als je het mij vraagt, is het voor de jongens een voorbereiding om straks het leger in te gaan en oorlog te gaan voeren. En om...’ zijn vader stopt even en kijkt snel naar mama en de kleintjes aan tafel, ‘... minderheden in de samenleving het leven zuur te maken.’ Het is even stil aan tafel. ‘En daar horen wij ook bij, Hans. Of je het nu leuk vindt of niet.’ ‘Wij gaan toch niet naar de synagoge?’ ‘Dat maakt voor de Duitsers niet uit,’ zegt papa. ‘Wij hebben Joods bloed.’ Mama zucht opnieuw en begint alvast de borden op te ruimen. Ze zet ze iets te hard op het aanrecht. ‘En al hadden we geen Joods bloed,’ zegt papa, ‘wat die Hitler wil, is verre van christelijk te noemen.’ Aan de toon waarop papa die laatste regel uitspreekt, hoort Hans dat de discussie gesloten is.

RkJQdWJsaXNoZXIy OTA4OQ==