De soldaat was jong, misschien net negentien jaar oud. Gekleed in militair uniform – saai, olijfkleurig hemd en broek, en zwarte laarzen met veters – patrouilleerde hij door de gang van de trein. Het was een passagierstrein, maar een van de wagons bevatte gevangenen. Vrouwelijke gevangenen. Eén gezicht dat tegen de tralies drukte, trok zijn aandacht. Het was een vredig gezicht, zonder trekken van haat of bitterheid. Ook lag er wat droefheid in de donkerbruine ogen. De soldaat liep langzamer en keek met aandacht naar dat gezicht. Hij stopte. ‘Waarom kijk je zo verdrietig?’ vroeg hij op vriendelijke toon. Geschrokken keken de bruine ogen naar hem op. Met een heldere rustige blik ontmoette een stel bruine ogen andere bruine ogen. Er gleed een zwakke glimlach over haar gezicht. ‘Zie ik er verdrietig uit?’ De stem die antwoordde, deed de soldaat aandachtig naar haar kijken. Ze was jong! Waarschijnlijk niet ouder dan hijzelf. Even stond hij onbeweeglijk stil, herpakte zich en marcheerde verder. Op de terugweg keek hij nieuwsgierig of ze er nog stond. En ze was er! ‘Waarom ben jij gevangen?’ Die vraag kwam diep uit zijn hart. ‘Je bent veel te jong om in de gevangenis te zitten. Je bent niet ouder dan ik.’ Weer diezelfde lieve glimlach. Het was een eerbare glimlach, niet zoals hij zo vaak zag van jonge meisjes die hij in zijn eigen woonplaats kende. Alleen maar een bescheiden en vriendelijke glimlach. ‘Ik ben gevangene omdat ik in God geloof.’ Het antwoord klonk eenvoudig en op een heldere toon. Verrast deed hij een stapje achteruit. ‘Je zit in de gevangenis omdat je in God gelooft! Hoe is dat mogelijk?’ ‘Toch is het zo,’ antwoordde ze terwijl zij één wenkbrauw omhoogtrok. ‘Het is de waarheid. Ik geloof in God en ik geloof dat Jezus de Zoon van God is.’ ‘Maar dat begrijp ik niet. Heel veel mensen geloven in die God. Niet iedereen die in God gelooft zit in de gevangenis. Wat heb je nog meer gedaan? ‘Ik heb kinderen en jonge mensen over God verteld. Ik heb Bijbellessen gegeven en liederen aangeleerd die onderwezen over God.’ De soldaat kwam dichterbij. Zijn blik gleed over de celdeuren tegenover hem. Toen keek hij waar hij vandaan was gekomen. Er was geen groot gevaar, omdat iedereen zorgvuldig opgesloten zat in zijn coupé. Uiteindelijk diende hij zijn plicht te doen. Toch won de nieuwsgierigheid het van zijn plicht... 5 www.hertog.nl
RkJQdWJsaXNoZXIy OTA4OQ==