9789033132469

PSALMEN IN DE NACHT

OCTAVIUS WINSLOW Psalmen in de nacht Overdenkingen in tijden van beproeving en smart DEN HERTOG – HOUTEN

1e druk 1999 2e druk 2003 3e druk 2023 Oorspronkelijke uitgave: Midnight Harmonies, or, Thoughts for the Season of Solitude & Sorrow. By Octavius Winslow, D.D. (London, 1853). Deze uitgave is gebaseerd op een Nederlandse vertaling: Psalmen in den Nacht. Overdenkingen in tijden van beproeving en smart (Leiden 1897). © 2023 Den Hertog B.V., Houten ISBN 978 90 331 3246 9 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij digitaal, elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

In de nacht zal Zijn lied bij mij zijn. — Psalm 42:8 Gezegende God, Gij hebt ons in het donker dikwijls dingen geleerd diewe in de zonneschijn nooit geleerd zouden hebben. — James Harington Evans Dit boek wordt met broederlijke genegenheid opgedragen aan mijn zuster, als een uitdrukking van tedere liefde en in de innige hoop dat het haar zal troosten in haar ziekte en eenzaamheid.

Inhoud Voorwoord 9 Psalmen in de nacht 11 Wij kunnen niet begrijpen wat Jezus doet 33 In de eenzaamheid vertroost 46 Een blik van Christus 61 Honing in de woestijn 70 De godvruchtige weduwe vertrouwend op de God der weduwen 82 Ziende op Jezus 90 Leunend op de Geliefde 105 Het gespeende kind 117 God troost als een moeder 133 Jezus alleen 147 Het reukwerk van het gebed 160 Het aanbreken van de dag 174

9 Voorwoord De volgende bladzijden hebben hun ontstaan te danken aan een van die wonderlijke leidingen van Gods voorzienigheid, waardoor wij ineens, dikwijls geheel onverwachts, van ons voornemen worden afgebracht. Ik had mij voorgenomen een reis naar het vasteland te maken, toen de plotselinge en verontrustende ziekte van een van Zijn dierbare familieleden mij verhinderde mijn plan uit te voeren. Er volgde een tijd van angstige spanning; een tijd waarin de onderwerpen die in dit boekje behandeldworden, inmijn gedachten kwamen.Omdat ik te zeer bedrukt was omeen uitgebreider werk over een ander onderwerp te schrijven, vond ik het bijzonder bemoedigend de gedachten die door mijn eigen natuurlijke gevoelens werden opgewekt, de vrije loop te laten. De hier weergegeven gedachten kwamen nu eens op in het ziekenvertrek en danweer in de studeerkamer, waardoor ik mij ervan bewust ben dat het niet de diepgang of hoedanigheid van een grondige studie bezit. De lezer zal dit ook niet verwachten. Ik bied dit boekje, een lofzang in de nacht van mijn eigen droefheid, aan zoals het is: een welgemeend meeleven met degenen die een tijd van zorg en beproeving doormaken. Het is zeer wel mogelijk dat zij die dit boekje ter hand nemen, nooit eerder met dergelijke geschriften in aanraking

10 zijn gekomen; geschriften die ik graag op het kussen van elk ziekbed en in ieder huis van smart zou zien. In het bijzonder denk ik dan aan boeken als Nacht van geween vanBonar, Stemmen in de nacht van dr. Cumming, en Olijfberg van dr. Hamilton. Ik benmij er goed van bewust dat ik slechts volg in het voetspoor van deze meesters, ‘zonen der vertroosting’, aangetrokken en geleid door de lichtglans die hun spoor, als het heklicht van een schip, heeft achtergelaten. Als mijn scheepje echter, door de zegen van de Heilige Geest, beladen mag zijn met een zekere mate van troost en hoop voor een bedroefde ziel die ‘zonder enige vertroosting door de storm wordt heen en weer geslingerd’, dan zal dat een bijzondere lieflijkheid toevoegen aan de leiding vanmijn hemelse Vader aanWie alle eer toekomt, van Hem ‘Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden’ (2 Kor. 1:4). Leamington, december 1850 Octavius Winslow

11 Psalmen in de nacht Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in de nacht? Job 35:10 Door allen die zich een oordeel over deze zaak kunnen vormen, zal erkend worden dat een godzalig mens noodzakelijkerwijs een gelukkig mens zal wezen. Zoals het onmogelijk is om het licht van de zon te scheiden, zo is het ook onmogelijk om geluk van godzaligheid te scheiden. Door de zonde werd de deur tot alle ellende geopend; het herstel van Goddelijke zuiverheid sluit die deur door het beeld vanGod te herstellen. En hoe meer wij Gods beeld benaderen, hoe meer wij deel krijgen aan het geluk dat in God is. De zonde is niets minder dan een verstoring van de harmonie die eens bestond tussen de Goddelijke en de menselijke wil. Als die harmonie hersteld wordt – alsGodswil op aarde geschiedt, zoals ook in de hemel – dan zal de aarde, zoals eens het geval was, de zuiverheid van de hemel weerkaatsen, zoals het stille meer vanuit de diepte de glans van de zon weerkaatst. Een geheiligd kind van God is dan ook een gelukkig mens. Hij is dikwijls het gelukkigst als andere mensen van mening zijn dat hij diep ongelukkig is. Als zij met medelijden zien hoeveel tegenspoed hij te ver-

12 duren heeft en hoe groot de last is die hij dragen moet, als zij in stilte zijn innerlijke strijd opmerken, waarbij de uiterlijke beproeving slechts een luchtbel is die aan het oppervlak drijft, dan achten zij hemeen geschikt voorwerp voor hunmedeleven en medegevoel. Maar zelfs dan ligt er in het diepst van zijn ziel een verborgen bron van blijdschap, een onderstroom van vrede, waardoor hij, hoewel gekastijd en aangevochten, een gelukkig en benijdenswaardigmens is. Owereldling, bedwing uw tranen en spaar uw medelijden. ‘Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden’ (Matth. 5:4). ‘Daarom zegt de Heere Heere alzo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn. Ziet, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen’ (Jes. 65:13, 14). Ween niet om hem, maar, o gij zielen die zonder Christus zijt, ween om uzelf! Hoezeer zijn de woorden die boven dit hoofdstuk geschreven staan in overeenstemmingmet deze gedachtegang! Psalmenmidden in de nacht! Wie kan die geven? Dat kan God enHij doet het ook.De ‘God aller vertroostingen’ (Rom. 15:5), de ‘God, Die de nederigen vertroost’ (2 Kor. 7:6), de ‘God der hope’ (Rom. 14:13), Die ‘de blinkende Morgenster’ (Openb. 22:16) doet opgaan over het sombere landschap, ‘de Heere des vredes Zelf Die u vrede geeft te allen tijd, in allerlei wijze’ (2Thess. 3:16). Ja, onzeMaker en onze Verlosser geeft psalmen in de nacht. De blijde zang van de leeuwerik, het klaaglijke gezang van de nachtegaal, het zingen van een kind en de

13 muziek der sferen – die alle zijn de stem van God. Er is geen instrument waarvanHij aan de gebroken en ontstemde snaren geen aangename tonen kan ontlokken – ja, zelfs aan het door droefheid vervulde hart. En in het leven van de christen bestaat geen tijdwaarinHij niet eenmelodie kan opwekken,waarnaar engelen ademloos zullen luisteren en er verrukt over zijn zonder die te kunnen navolgen.Muziek die altijd aangenaam is, is het lieflijkst te midden van de nacht. Als tijdens de plechtige, alles overheersende stilte – als geen zuchtje wind de bladeren doet ritselen en nergens weerklank wordt gehoord – als in het alles omhullende duister de verontrustende gedachten, de sombere denkbeelden die als schaduwen die op eenmuur dansen, voor de geest komen, als het opmerkzame oor de zachte tonen hoort van vaardig bespeelde muziekinstrumenten die zich mengen met de tonen van welluidende stemmen, dan is het alsof engelen zijn neergedaald omeen lied te zingen omde bedroefde en vermoeide zonen der aarde tot kalmte te brengen. Maar er zijn liederen die nog rijker zijn en er is muziek die nog zoeter is dan die van hen – de liederen die God geeft en de muziek die Jezus in het hart legt in het midden van de donkere nacht van de pelgrimstocht van de christen. Latenwe toch naar die muziek luisteren! Door de woorden die boven ons hoofdstuk staan,worden drie gedachten opgewekt: de tijd van de nacht, de liederen in de nacht en de auteur van deze liederen. ‘God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in de nacht’ (Job 35:10). De tijdwaarnaar door de geïnspireerde schrijver verwezen wordt, staat model voor een tijd van droefheid, somberheid en moedeloosheid, waarmee al Gods kinderen in mindere of

14 meerdere mate te maken krijgen: de tijd van de nacht. Daar dit boekje bedoeld is voor een periode waarin de christen zich eenzaam en verdrietig voelt, zal het waarschijnlijk zijn weg vinden in de sombere kamer van de zieke, in het vertrek van iemand wiens geest nog zieker en eenzamer is dan zijn uiterlijke omstandigheden doen vermoeden. Het lijkt mij daarom gepast om op te merken dat de tijd van de nacht een treffend beeld is voor de toestand van de onbekeerde mens – een toestand van geestelijke duisternis en dood. De nacht is de tijd van somberheid, van sluimer en van droombeelden. Zo is de morele toestand van de ziel die niet door de Heilige Geest is verlicht, opgewekt en geheiligd. De apostel heeft het oog op deze toestand als hij de tegenstelling beschrijft tussen de gelovige en de ongelovige: ‘Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken’ (1 Thess. 5:4-7). Hoe ernstig wordt ons hier de toestand voorgesteld van een goddeloze wereld, van onze onbekeerde familieleden, wie weet, misschien wel van uzelf, lezer. ‘Kinderen van de nacht’ – in slaap, in duisternis. Is in het bijzonder de nacht niet een tijd van dromen? Zodanig is de geestelijke nacht van de ziel. Die wordt beeldend beschreven door de evangelische profeet Jesaja: ‘Het zal alzo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig; of, gelijk als wanneer een dor-

15 stige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig’ (Jes. 29:8). Zodanig is uw staat. U slaapt; de ketenen van uw geestelijke sluimer binden uw morele zinnen; al uw plannen, doelstellingen, genoegens en uwbesef zijn slechts droombeelden die geenwerkelijkheid zijn. U beeldt zich in dat u gelukkig bent, u droomt dat u bevrijd bent van uw ketens, u denkt dat uwdromenwerkelijkheid zijn,maar het zijn slechts schaduwen.Maar langzaamaan ontwaakt u en komt u tot de pijnlijke overtuiging dat dit alles slechts een droom is! De geest is rusteloos, het verstand onbevredigd, het hart ziek, de ziel onvoldaan; alles, alles is slechts een donkere en troosteloze leegte. Ja, God zal zeker het doodvonnis op de vreugde van de wereldling schrijven en Hij heeft dat ook gedaan; Hij zal hem leren dat alle blijdschap slechts denkbeeldig en dat alle genoegen die niet uit Hemzelf voortvloeit enwaarvanHij niet de ‘hoogste vreugde’ uitmaakt, slechts schijn is. Ontwaakt dan die slaapt; de Bruidegomkomt! Het geroep te middernacht dat de Rechter nadert, zal spoedig een eind maken aan uw sluimer en de duisternis van uw ziel. Het is hoog tijd dat u uit uw slaap ontwaakt. Stelt u zich voor dat de woorden ‘Gij dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen’ (Luk. 12:20), u zullen opschrikken temidden van uw wereldsgezindheid, uw zonden en opstand en uw dagdromen over aardse goederen! Stelt u zich voor dat u in de hel zou ontwaken! Hoe verschrikkelijk zou dat zijn! Luister naar de waarschuwing van deHeiland: ‘Want wat baat het eenmens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?’ (Matth. 16:26). En daarom: ‘Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de

16 doden; en Christus zal over u lichten’ (Ef. 5:14). Hoe vreselijk zal het zijn als de huidige nacht van uw ongeheiligd verdriet de voorbode, de inleiding, de vooruitgeworpen schaduw zou zijn van een toekomst en een eindeloze nacht van wee! Maar de tijd van de nacht beschrijft met name de perioden in de geschiedenis en de ervaring van een kind van God en we willen in het bijzonder daaraan aandacht besteden. We worden erdoor herinnerd aan de periode van donkerheid van de ziel, waarmee de christelijke pelgrim zo vaak te maken krijgt. ‘Wie is er onder u, die de Heere vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft’ (Jes. 50:10), zegt God. Let erop, hij is nog steeds Gods knecht. Hoewel hij in het duister wandelt, is hij een ‘kind van het licht’. De duisternis spreidt zijn mantel over hem uit, een duisternis die dikwijls voelbaar is. Het donker verduistert zijn pad. Gods weg met hem gaat door grote diepten: ‘Gij zijt een God Die Zich verborgen houdt’ (Jes. 45:15), is zijn droevige gebed. De Heilige Geest is misschien bedroefd – geen bezoeken van Jezus verblijden zijn hart – hij ervaart tot op zekere hoogte wat de gezegende Heiland meemaakte: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!’ (Matth. 27:46). Maar bedroefde pelgrim, er straalt een helder licht door uw wolk van donkerheid heen – richt uw oog erop – het donker waardoor u wandelt, is geen oordeel. Het is niet de donkerheid van een onbekeerde, van God vervreemde staat. O nee, hoewel het dan tijdelijk donker in uw ziel mag zijn, u bent nog steeds een ‘kind des daags’. De Heere heeft Zich slechts voor ‘een klein ogenblik’ onttrokken – het is niet de uiterste en eeuwige uitdoving van de Zon der Gerechtigheid

17 in uw ziel. God is nog steeds uw Vader en u bent Zijn kind. ‘In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maarmet eeuwige goedertierenheid zal IkMij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser’ (Jes. 54:8). ‘Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstiglijk aan hem’ (Jer. 31:20). En wat zijn tijden van verdrukking voor een christen anders dan een nachtelijke periode? De nacht der verdrukking is vaak donker, lang en stormachtig. De Heere werpt dikwijls het sombere doodskleed over de zonnigste voornemens en Zijn geliefd kind wordt erdoor getroffen waar hij dit het hevigst voelt. Hij kent de afgod van het hart. Hij kent de strik van de vogelvanger het beste – de verleidingen en gevaren die ons pad kruisen. Hij kent de keten die ons aan een of ander gevaar kluistert, beter dan wij. Hij komt en trekt het gordijn van het nachtelijk duister om ons heen. Hij stuurt ons bode na bode. ‘De afgrond roept tot de afgrond’ (Ps. 42:8).Hij treft ons in ons gezin, in ons bezit, in onze goede naam, in onze persoon. En o, welk een nacht van ellende spreidt nu zijn somber kleed om ons heen! En dan, temidden van de zich verdiepende schaduwen, lijkt het wel of we een beter zicht krijgen op alles wat ons omringt.Alle dingen lijken in het duister gehuld. Onze positie, onze omstandigheden, onze verliezen, onze vooruitzichten, ze zien er allemaal even naargeestig uit. In de sombere schemering en het duister dat ons omhult, lijkt het wel of alles een overdreven en vergrote vorm aanneemt. Het is ‘een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisternis, als de dageraad uitgespreid over de bergen’ (Joël 2:2).

18 Zo is ook de tijd als we getroffen worden door de rouw om een groot verlies. O, wat een nacht als ons eens zo mooie en vreugdevolle huis overvallenwordt door de schaduwvan de dood; als de verderver binnentreedt en een van onze geliefden, aan wie ons hart misschien teveel gehecht is, terneervelt! Dan lijkt het wel of de zon op het midden van de dag plotseling verduisterd wordt en alles donker wordt. ‘Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis’ (Ps. 88:19), is dan de droeve verzuchting van het hart. Zo’n nacht was het voor Jezus’ hart toen Hij het huis te Bethanië verliet om naar het graf van Lazarus te gaan. O, wie heeft het duister en de pijn van zo’n tijd niet doorgemaakt? Wie heeft de schaduwen, de voorboden van naderend onheil, niet zien komen? Als we plaatsnemen in de ziekenkamer en de moeitevolle dag langzaam voorbijgaat en overgaat in de eenzame nacht, waarin we de verderver langzaam zien naderen, als het licht langzaam dooft in de ogen van onze geliefde en de gelaatstrekken meer en meer vervallen tot de dood het uiteindelijk geheel versluiert voor onze ogen.O,wat een nacht van groot verdriet is dit! Maar luister! Niet alles ontviel mij, nog spaarde de Heer’, Mij velen met wie ik in liefde verkeer; Geliefden, wier aanblik ik dankbaar aanschouw, Wier stemmen getuigen van liefde en trouw. Was ’t anders en werd ik door niemand verstaan, Toch vond ik een weg om er veilig te gaan; Al nam de begeerte van ’t gapende graf,

19 Hen, die mij nog resten op aard’, van mij af, En slaakte ik in tranen van rouwe de klacht Op d’ akker der doden: Ach, dekt u deez’ nacht. Mijn lieve, mijn dierbare, die ’k teer heb bemind! Toch weet ik, Gods stemme zou spreken: Mijn kind! Ik ben het, Ik, Die dit offer u vroeg; Ben ’k niet voor hemel èn voor aarde u genoeg? Maar hoewel al deze nachtelijke tijden van onze pelgrimsreis donker en dikwijls zonder een straaltje licht zijn, tochworden ook daarinwelluidende klanken gehoord.Hier beneden is het nooit volkomen nacht, evenmin als het hier volkomen dag is. Zoals de dag zijn donkere momenten kent, heeft de nacht zijn helderemomenten. Zoals de een zijn kreten van smart kent, zo kent de ander zijn jubelklanken. Dank zij Hem Die ‘het licht van het duister scheidt’ zijn er momenten van verzachting, van verlichting en troost, waardoor zelfs de nacht in de dag kan veranderen en de zoetste tonen uit de schrilste klanken kunnen voortkomen. Hoe nederig maakt ons de gedachte dat wij in de diepste smart, in de diepste duisternis, geen oog hebben voor deze kostelijke waarheid! De uitnemende vertroostingen die onze God heeft weggelegd voor hen die Hem liefhebben, zijn zo Goddelijk, zo rijk, zo menigvuldig, dat het van een ondankbaarheid getuigt die zelfs donkerder is dan de smart die we ervaren, als we daar geen oog voor hebben. O, God wil niets liever dan u, Zijn lijdend kind, troosten. Als u daarvan eenmaal overtuigd bent, dan is zelfs het bitterste in uw drinkbeker zoet. Laat mij u helpen om u, misschien in een uur van zware beproeving, van deze waarheid te overtuigen

20 door uw aandacht te vragen voor een paar van deze ‘liederen’ die de Heere Zijn volk vergunt te zingen in de nachtwaken van hun pelgrimsreis. Dit was met name de ervaring van David. Slechts weinig van Gods kinderen kenden de nachtelijke uren van het geloof beter dan deze geweldige man Gods. We zullen rijk gezegend worden als we zijn leven, dat ons zoveel leert, nader zullen bezien. Nadat hij gezegd heeft: ‘al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan’ (Ps. 42:7), lijkt het erop dat hij plotseling midden in zijn klachten tot andere gedachten komt door zich het lied dat in de nacht gezongen wordt, te herinneren: ‘Maar de Heere zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens’ (Ps. 42:9). Dit was een lied dat gezongen werd midden in de nacht! Bij het ‘gedruis der wateren’ en bij het aanrollen van de ‘baren en golven’ – hetmiddernachtelijk uur van zijn ziel – klonk er een lied op! Er wordt een lied gezongen zoals in de hemel niet gehoord wordt – want daar zal geen nacht zijn – er wordt gezongen over goedheid, over liefde, ja, over goedertierenheid die tot uiting komt en ervaren wordt in het uur, waarin de ziel in de diepe en donkere wateren dreigt te verzinken en vol vrees uitroept: ‘Heere, red mij, want ik verga!’ O lijdende gelovige, wat een goedertierenheidmoet dat zijn die opwekt tot een lied dat zo lieflijk is in een tijd die zo donker is als deze! Waak op mijn ziel! met blijde zangen En breng uw dierbare Heiland lof; Hij is het waardig die te ontvangen Zijn goedheid biedt u rijke stof.

21 Waar leed en droefheid mij benauwde, Ja, duisternis was om mij heen, Daar was ’t of mij Zijn Geest bedauwde, Zijn liefde liet mij nooit alleen. Bij een andere gelegenheid tijdens de nachtelijke uren van zijn pelgrimstocht voedde de psalmist zijn kwijnend geloof eveneens door terug te denken aan de liederen die hij vroeger gezongen had: ‘Ik dacht aan mijn snarenspel; in de nacht overleide ik in mijn hart’ (Ps. 77:7). Beproefde christen, het getuigt van grote wijsheid om terug te denken aan de liederen uit het verleden. Denk niet dat aan de liederen die in het verleden gezongen zijn, nooit meer zal worden teruggedacht, zoals dat met de muziek van de wereld het geval is. O nee! De akkoorden die eens van uw door de Geest aangeraakte lippen vloeiden, zijn nog levendig! De muziek van een geheiligd hart sterft nooit; die muziek blijft hangen in de verborgenheid van de ziel.Door andere onwelluidende klanken kunnen zewel een poos tot zwijgen komen,maar deHeiligeGeest, die de gelovige de dingen des Heeren indachtigmaakt, zal deze muziek in het geheugen terugroepen om in een daaropvolgende nacht van beproeving de ziel in een misschien nog donkerder uur met nog rijkere akkoorden te troosten, tot kalmte te brengen en te verblijden. ‘Als ik Uwer gedenk opmijn legerstede, zo peins ik aanU in de nachtwaken’ (Ps. 63:6). ‘Geef mij weder de vreugde Uws heils’ (Ps. 51:12). En ook: ‘Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid’ (Ps. 119:62). Te middernacht – het uur van eenzaamheid, duisternis en verlatenheid.Als men-

22 sen diemet mij meeleven zich ter ruste hebben begeven, als de hele wereld ommij heen levenloos schijnt en zich niet bewust is vanmijn stille nachtwaken, als mijn ziel temiddernacht diep bedroefd is, zal ik opstaan van mijn door tranen doorweekte kussen en van mijn doorwoelde bed en zal ik U danken voor de rechten vanUwgerechtigheid.Ogeliefden,wat een schoon gezang in hetmidden van de nacht! De gelukzalige geesten van een andere wereld luisteren: God neigt Zijn oor en hoort. O lezer, er is geen enkel middernachtelijk uur in uwbestaan – hoe donker die nacht ook mag zijn – waarin God niet in een lied zal voorzien, en waarin sprake zal zijn van muziek die door geen mens bedacht of bezongen kan worden – het is muziek die alleenGod kan scheppen.Maar waaruit bestaat diemuziek in het midden van de nacht dan wel? Wat zijn de akkoorden en de noten? Laten we beginnen met de grondtoon. Jezus Zelf is ons lied. Als we niet van Jezus en Zijn liefde kunnen zingen in de nacht van onze pelgrimsreis, van wie, van wat zullen we dan wel zingen? Zoals iedere muziek haar grondtoon, de uitgangspunten, kent, zo ook de ziel van de gelovige. Jezus is de basis. Hij die niets uit ervaring van Jezus kent, heeft nooit geleerd het lied des Heeren te zingen. Maar als de gelovige Jezus aanschouwt in Zijn persoonlijke waardigheid, heerlijkheid en schoonheid – als hij Hem ziet in Zijn Goddelijkheid – als hij Hem ziet als de gave van de Vader – als Degene in Wie God Zich ten volle openbaart, dan kan hij in de donkere nacht, waarin hij zich bewust is van zijn eigen zondigheid, zingen van een fundament, waarop hij veilig kan bouwen voor de eeuwigheid. En als hij het werk van Jezus overdenkt, vindt hij daarin alle reden tot lofprijzing! Als hij Christus ziet

23 als Degene ‘Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing’ (1 Kor. 1:30), als hij ziet op het verzoenende bloed en de gerechtigheid die hem van ogenblik tot ogenblik voor God vertegenwoordigt, waardoor hij van iedere smet gereinigd en van iedere zonde gerechtvaardigd wordt, dan kan hij zelfs in het nachtelijk uur, waarin hij de diepe verdorvenheid van zijn ziel ervaart, de eerste noten zingen van het lied dat daarboven in hoger tonen wordt aangeheven: ‘Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft inZijn bloed.EnDie ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen’ (Openb. 1:5, 6). O ja, Jezus is de grondtoon – Jezus is de basis van ons lied dat te middernacht wordt aangeheven. Is het niet een tijd waarin het hart wordt omgewoeld, waarin de braakliggende grond wordt opgebroken en de dieperliggende plaag wordt blootgelegd? Maar richt het oog van het geloof op Jezus en aanschouwde kracht vanZijn bloed om alle zonden weg te nemen, en de kracht van Zijn genade om alle ongerechtigheid te onderwerpen, en het bedroefde hart zal bij het zien daarvan in gejubel uitbarsten! ‘Mijn ziel maakt groot de Heere; en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker’ (Luk. 1:46, 47). Is het een nacht van smartelijke beproeving? Wat een Vriend, wat een Broeder, wat een Helper is Jezus! Nooit, nee nooit zal Hij Zijn lijdend kind dat nachtelijk uur laten doorbrengen zonder hemop te zoeken en hem te vertroosten door Zijn tegenwoordigheid.Hij is numet u, en in de stormachtige nacht van uwbeproevingmag u zingen van Zijn nooit aflaten-

24 de trouw, van Zijn nooit veranderende liefde, van Zijn nooit afnemende tederheid en van Zijn geduld dat nooit uitgeput raakt, van Zijn nooit afnemende genade, van Zijn waakzaamheid die nooit sluimert. Vestig uw oog, hoe verduisterd door tranen het ook mag zijn, op dit roerende beeld van uw medelijdende Heiland, Die u zo wordt voorgesteld. ‘En het schip was numidden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de windwas hun tegen.Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze. Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet’ (Matth. 14:24-27). Denkt u dat er niet gezongen zal zijn in die donkere, stormachtige nacht? Zal er geen lied opgeklonken zijn van dat door de golven heen en weer geslingerde schip dat boven de bulderende golven uitsteeg? O ja, geliefden, Jezus was daar! En Jezus gaf de grondtoon aan: ‘Ik ben het, vrees niet’ (Matth. 14:27). En ook van de lippen van Zijn in vervoering geraakte apostel steeg demuziek van geloof en liefde op: ‘Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water’ (Matth. 14:28). Bevende gelovige, Jezus is die hele nacht in gebed voor Zijn geliefde discipelen aan het worstelen geweest en toen het gevaar,waarin ze verkeerden, en hun vrees het hoogst was, haastteHij Zich omhen te redden en te troosten, en betradHij met de majesteit en standvastigheid van God de woeste baren. Jezus zoekt ons graag op in onze nachtwaken. Als we ons in de stormbevinden, bidt Jezus voor ons. De Zoon van God Die mens is geworden, is graag bij Zijn hulpeloze en in nood verkerende kinderen – enHij is nabij, ja,

25 ook u – Hij is de sterkte van uw kwijnend hart, de steun van uw zinkende ziel. ‘Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in de nacht, wanneer het feest geheiligdwordt; en blijdschap des harten, gelijk van een, diemet pijpenwandelt, omte komen tot de berg des Heeren, tot de Rotssteen van Israël’ (Jes. 30:29). Verkeert u in een nacht van rouw? O, hoe zwaar die nacht ook wezen mag, er is zelfs een lied voor deze toestand, geschokte, treurende ziel. Jezus rouwde eveneens. Kunt u daar niet van zingen? ‘Jezus weende’ (Joh. 11:35). Klinkt er geen muziek door in deze woorden? O ja! Als Iemand Die Zelf het gemis kent en voelt wat de dood in menselijke vriendschap veroorzaakt; als IemandWiens tranen eens op de koude grond vielen,waarbij geen handwerd uitgestrekt omzeweg te vegen, voelt Hij met u mee in uw huidige verdriet en is Hij bereid alles wat u treft, het Zijne te maken. Hoe groot de kloof ook is, hoe diep de leegte ook is, hoe betreurenswaardig het gemis ook is dat de dood veroorzaakt, Christus kan die vervullen; Hij vervult die met Zijn liefde, met Zijn tegenwoordigheid, met Zichzelf en hoe welluidend zal uw lied in de nacht van uw droefheid dan zijn: ‘Hij heeft alles wel gemaakt.’ O, als we ons in de lange nacht van ons verdriet tot Jezus wenden, is er geen enkel uur waarin we geen stof tot zingen en lofprijzing zullen vinden, wat het gezang der engelen zelfs te boven gaat. We moeten ook niet voorbijgaan aan het schone lied van David dat hij zong in de donkere nacht van de rampen en smarten die hem en zijn gezin troffen: ‘Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet

RkJQdWJsaXNoZXIy OTA4OQ==